
Wat het Statusrapport 2026 ons vertelt over wilde bijen
In mei 2026 verscheen het nieuwe Statusrapport Nederlandse Biodiversiteit van Naturalis Biodiversity Center. Zo'n rapport klinkt misschien als iets voor beleidsmakers, maar het raakt ons allemaal — en zeker iedereen die zich druk maakt om wilde bijen. Want de staat van onze bijen zegt iets over de staat van onze hele natuur.
In dit stuk zet ik eerst kort neer wat er in het rapport staat. Daarna zoom ik in op waar het hier echt om draait: de bijen, en de bloemen en planten waar ze niet zonder kunnen.
Eerst even het grote plaatje
Het rapport bundelt kennis over de soorten die in ons Koninkrijk voorkomen — dit jaar voor het eerst ook inclusief de Caribische delen. De toon is niet vrolijk, maar ook niet hopeloos.
Een paar cijfers om het gevoel te pakken:
- Van de bijna 8.000 beoordeelde soorten is 6% al helemaal uit Nederland verdwenen, en 39% wordt bedreigd. Samen is dat dus 45% bedreigd of verdwenen. Wereldwijd ligt dat gemiddelde op zo'n 28% — Nederland zit daar flink boven.
- Het Nationaal Dashboard Biodiversiteit houdt veertien natuurdoelen bij. Daarvan staan er zeven op rood (buiten bereik) en vijf op oranje (extra inzet nodig). Groen? Geen enkele.
- Nederland telt ruim 48.000 soorten planten, dieren en schimmels. Veel daarvan worden nauwelijks gemonitord, simpelweg omdat er geen "fanclub" van vrijwilligers is die ze telt. Vogels, vlinders en libellen hebben die wel — de meeste insecten niet.
Kortom: het gaat niet goed, we weten van veel groepen te weinig, maar we weten inmiddels wél waar de knelpunten zitten. En bij bestuivers is dat beeld pijnlijk scherp.
Bestuivers in nood
Hier wordt het persoonlijk voor de bijenliefhebber. Het rapport noemt bestuivers een essentiële graadmeter voor de biodiversiteit, en dat is niet overdreven:
Ongeveer 90% van onze wilde planten en 75% van onze voedselgewassen is afhankelijk van bestuiving — vooral door bijen en zweefvliegen (IPBES 2016).
Laat dat even bezinken. Negen van de tien wilde plantensoorten hebben bestuivers nodig. Geen bijen, geen zaad, geen volgende generatie planten. En andersom net zo goed.
Op dit moment worden graslandvlinders gebruikt als landelijke graadmeter voor álle bestuivers, en die laten een dramatisch beeld zien: sinds 1992 is hun aantal met twee derde gekrompen. Vanaf 2027 moeten alle EU-lidstaten hun bestuivers echt gaan monitoren; in Nederland is daar in 2025 een pilot voor gestart.
En dan de bijen zelf
Nederland heeft ongeveer 350 soorten wilde bijen — van zandbijen tot metselbijen tot hommels. Samen met zweefvliegen zijn zij verantwoordelijk voor een enorm deel van al die bestuiving.
De Rode Lijst voor bijen (2018, 331 soorten beoordeeld) is confronterend:
- 55% is bedreigd of verdwenen
- 14% is al helemaal uit Nederland verdwenen
- concreet: 46 bijen- en 7 hommelsoorten zijn we kwijt
Meer dan de helft van onze wilde bijensoorten staat dus in de gevarenzone. Ter vergelijking: bij de vaatplanten is dat 37%. Bijen doen het dus nog slechter dan de planten waarvan ze afhankelijk zijn — en dat is precies waarom die twee samen bekeken moeten worden.
Er is ook wettelijke druk om het tij te keren. Vanaf 1 januari 2027 is Nederland verplicht om bijenpopulaties te monitoren, en uiterlijk in 2030 moet de achteruitgang wettelijk zijn omgebogen naar herstel. Ambitieus, gezien waar we nu staan.
Waarom de planten net zo belangrijk zijn
Bijen leven niet in een vacuüm. Ze hebben bloemen nodig — voor nectar en stuifmeel — en veel soorten zijn kieskeurig: ze vliegen maar op een handvol plantensoorten. Verdwijnt die plant, dan verdwijnt de bij. Daarom is het plantenverhaal in het rapport eigenlijk óók een bijenverhaal.
En dat plantenverhaal draait om één sluipend proces: verruiging.
In onze wegbermen — van oudsher belangrijke bloemstroken — neemt de bedekking door kruiden af. In plaats daarvan krijgen een paar snelgroeiende "ruigtesoorten" zoals akkerdistel en braam de overhand. De oorzaken die het rapport noemt:
- Te veel voedingsstoffen in de bodem (denk aan de neerslag van stikstof)
- Zachtere winters door klimaatverandering, waardoor het groeiseizoen langer wordt
- Onvoldoende verschraling: er wordt te weinig gemaaid-en-afgevoerd om de bodem voedselarm te houden
Het gevolg: bermen worden hoger en groener, maar minder bloemrijk. En minder bloemen betekent domweg minder eten voor bijen. Zo grijpen de achteruitgang van planten en de achteruitgang van bijen in elkaar — een negatieve spiraal.
De stikstofoverdaad zit trouwens niet alleen in bermen. Het is een van de rode draden door het hele rapport: te veel voedingsstoffen maken systemen "vet", waardoor een paar dominante soorten het overnemen en de diversiteit verdwijnt. Voor bloemrijke, bijvriendelijke natuur is juist het tegenovergestelde nodig: schraal en gevarieerd.
Toch ook lichtpuntjes
Het rapport is geen doemverhaal, en dat is belangrijk om mee te geven. Natuurherstel wérkt, als je het doet.
- Twee plantensoorten die als uitgestorven te boek stonden, zijn teruggevonden: geel cypergras en wilgsla. De terugkeer van cypergras hangt waarschijnlijk samen met de aanleg van "nieuwe natuur" — open, voedselarme, soms 's winters natte terreinen. Precies het type plek waar meer zeldzame soorten van profiteren.
- Er komen nieuwe soorten bij, deels doordat insectenliefhebbers en burgerwetenschappers ze ontdekken. Zo werd in de zomer van 2025 in een stadstuin in Zoetermeer een nieuwe wespensoort gevonden (de geelsteelzwaluwwesp), herkend via automatische beeldherkenning op Waarneming.nl.
- De monitoringsplicht vanaf 2027 betekent dat we straks eindelijk beter zicht krijgen op hoe het écht met onze bijen gaat.
Dat laatste punt is precies waar wij als bijenliefhebbers een rol spelen: veel van de kennis in dit rapport komt van vrijwilligers die soorten tellen en doorgeven.
Wat betekent dit voor jou?
Het rapport levert geen bijenlesje voor in de tuin, maar de rode draad is glashelder en praktisch toe te passen:
- Meer bloemen, langer in het seizoen. Bijen hebben van vroeg voorjaar tot laat najaar iets nodig om op te vliegen. Kies inheemse, nectar- en stuifmeelrijke planten.
- Schraal is goed. Een voedselarme, gevarieerde bodem levert meer bloemen op dan een vette. Maaien én het maaisel afvoeren helpt; laat het niet liggen.
- Laat het niet te netjes worden. Een strak, groen gazon is een groene woestijn voor bijen. Wat rommeligheid — open zand, dood hout, een hoekje dat mag verwilderen — biedt nest- en voedselplekken.
- Blijf tellen en doorgeven. Waarnemingen van vrijwilligers zijn de basis onder rapporten als dit. Jouw tuinbij op Waarneming.nl telt echt mee.
Tot slot
De kernboodschap van Naturalis is er eentje om te onthouden: wat we kennen, kunnen we beter beschermen. Voor wilde bijen geldt dat dubbel. Ze zijn kwetsbaar, we weten van veel soorten te weinig, en hun lot hangt aan draadjes — vooral aan de bloemen om hen heen. Maar juist omdat we die verbanden nu kennen, weten we ook wat werkt: schralere, bloemrijkere, wildere plekken. En daar kan iedereen aan meehelpen.








